Nederland is af te dekken in 60 cao’s

Wie het SER-advies over het draagvlak van cao-afspraken leest, krijgt de indruk dat er weinig aan de hand is. Vakbondsbestuurder Michiel Wallaard van de CNV Dienstenbond is het daar niet mee eens. Volgens hem houden de polderprofessionals een systeem in stand dat vanzelf ten onder gaat als er niets ingrijpends verandert. Dat zegt hij in het vandaag verschenen nummer van Zeggenschap.

Poldernomenklatoera
‘Als we als polderprofessionals een blik werpen op de wirwar aan cao’s, sociale fondsen en pensioenfondsen die we de afgelopen decennia met elkaar hebben opgebouwd, dan valt op dat de mate waarin dat alles is opgebouwd niet volledig in verhouding staat tot de mate waarin er kritisch gereflecteerd is op nut en noodzaak van bestendiging ervan. Dit heeft er toe geleid dat een aantal cao’s zich hebben getransformeerd van middel om belangen van de achterban te behartigen, of om een voor werkgevers en werknemers nuttige ordening op de arbeidsmarkt plaats te laten vinden, tot doel op zich’, stelt Wallaard.
‘Zo is er een poldernomenklatoera ontstaan, die zich voedt vanuit bestaande, maar slinkende structuren.’

Ingrijpende verandering arbeidsvoorwaardenvorming
‘Hét voorbeeld van zo’n structuur is wat mij betreft de branche-cao’, zo gaat hij verder. ‘Voor zover leden al weten dat zoiets bestaat, is er weinig interesse voor, want ze voelen zich in de eerste plaats aan hun bedrijf en beroep verbonden.’
Wallaard bepleit daarom een ingrijpende verandering in de arbeidsvoorwaardenvorming. ‘De verschillende economische ontwikkelingen in Nederland zijn keurig af te dekken in zo’n zestig cao’s.’ Die cao’s moeten een vloer leggen, waarbij ‘je ook veel meer onderhandelingsruimte geeft aan bedrijven (inclusief loon!) waar hetzij vakbonden hetzij de OR (met vakbondsadvies) dicht bij de medewerker aan de slag kan.’

Geen Bestuurder met hoofdletter B
Dat vereist een heel ander type vakbondsbestuurder. ‘Om goed werk te doen in de bedrijven heb je misschien niet meer zozeer de aloude Bestuurder met een hoofdletter B nodig, maar een bescheiden adviseur van de OR of een streetwise vakbondsmedewerker die dicht bij de werkvloer staat en daar ook vaak komt. En om strategisch te coördineren heb je meer denkkracht binnen de vakbeweging nodig die in de eerste plaats zelf(standig) denkt en aanstuurt.
Je hebt dus ook iets minder nodig. De branchegebonden bestuurder als alfa en omega van de vakbeweging zal wellicht (met uitzondering van wat strategische onderhandelaars) plaats moeten maken. Plaats voor praktische vakbondsmedewerkers die werknemers verbinden en stimuleren, voor denkers die in staat zijn een bredere visie te formuleren en (last but not least!) voor goed onderlegde vakbondsleden in de bedrijven’, aldus Wallaard in Zeggenschap.