CPB: Nederland kampioen flexwerk

‘Het vaste contract is op zijn retour. Niet op het papier van de wetgeving, wel in de praktijk van de statistieken. Op de Nederlandse arbeidsmarkt gaat de flexibilisering onverminderd voort’, zo schrijft het Centraal PlanBureau 20 september in een beschouwing over de flexibilisering van de arbeidsmarkt.
Het CPB baseert zich op cijfers van het CBS uit november 2015. Die laten zien dat sinds eind 2008 het aantal werknemers met een vaste dienstverband met ruim 600.000 is geslonken naar onder de 5 miljoen in het derde kwartaal. Het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie kwam in dat kwartaal op ruim 1,9 miljoen werknemers uit. Dat aantal neemt volgens het CBS al sinds medio 2010 toe. De groei komt vooral voor rekening van oproep- en invalkrachten. Ook het aantal zelfstandigen neemt toe. In het derde kwartaal 2015 waren dat er bijna 1,4 miljoen.

Wetgeving
Volgens het CPB is de flexibilisering nergens zo hoog als in Nederland. Argumenten als zou de flexibilisering zijn ingegeven door de crisis of doordat er meer vraag naar zou zijn om sneller in kunnen spelen op veranderingen in de markt, verwijst het CPB naar het rijk der fabelen. Immers, dan zou in andere landen flex net zo hard moeten stijgen. Ook is het niet zo dat werkenden voor flexwerk kiezen. Integendeel, van de mensen met een tijdelijk contract, uitzendbaan of payrollcontract vindt 80 tot 90% een vast contract belangrijk of heel belangrijk, weet het CPB. Het Planbureau concludeert dan ook dat de toename van flexibilisering vooral heeft te maken met wetgeving en regulering. Minister Asscher heeft een begin gemaakt dat aan te pakken met de Wet Werk en Zekerheid, maar volgens het CPB is dat niet genoeg. ‘Het komt door tal van wetten dat werkgevers minder mensen een vast contract geven’, aldus CPB-directeur Laura van der Geest.