Sociale schijnpartners

partners

Ergens vorig jaar sprak ik een OR-voorzitter van een bedrijf met ruim 1500 werknemers in de maakindustrie. Er was een groot conflict met de werkgever vanwege een reorganisatie, uitmondend in allerlei acties. De man, tevens kaderlid van FNV Bondgenoten, vertelde mij zeer enthousiast dat de sociale partners zo goed samen optrokken. Ik keek hem niet begrijpend aan. ‘Vakbond en ondernemingsraad werken heel goed samen’, legde hij uit.  Ik vraag me af wat er door hem heenging toe hij in de krant las dat sociale partners een sociaal akkoord hebben gesloten. Want waar voor de beleidsmakers en het kringetje daarom heen werkgevers en vabonden sociale partners zijn, ligt dat voor de man of vrouw op de werkvloer heel anders. Daar zijn mensen die voor hetzelfde strijden partners, en is het onbestaanbaar dat je de directie aan de andere kant van de tafel een partner noemt.

Eigenlijk zit daar ook wel wat in. Natuurlijk, als werkgevers en bonden een akkoord sluiten, dan hebben ze elkaar gevonden op een gemeenschappelijk belang en zijn ze dus voor even partners. Maar ten principale hebben ze een tegengesteld belang. Werkgevers zijn er om zoveel mogelijk winst te maken, en werknemers doen hun best daar een zo groot mogelijk deel van in eigen zak te steken. Vanuit die optiek wordt er onderhandeld. Werkgevers zeggen: als jullie een te groot deel willen, blijft er te weinig over om te investeren en verliezen we de concurrentie. Dan gaan we failliet of verhuizen we naar het buitenland en hebben jullie helemaal geen werk en loon meer. Dus als het goed gaat met ons, gaat het ook goed met jullie. Werknemers trekken dezelfde conclusie, maar redeneren precies andersom. Zij zeggen: als jullie ons niet genoeg loon geven, kunnen wij geen producten meer kopen en gaan jullie failliet. Dus als het goed gaat met ons, gaat het ook goed met jullie.

Dat is makkelijk! Als we nou zorgen dat het met allebei een beetje goed gaat, dan zijn we eruit. Er zijn werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers) die de arbeidsorganisatie als een gemeenschap beschouwen, waar samen gebouwd wordt aan een toekomst. En dus schik je allebei een beetje in als het moet en houd je rekening met elkaar als het kan. Dat is de ideale situatie. En dat kan ook op een heleboel punten, behalve over de verdeling van de centjes. Want daar staan werkgevers en werknemers lijnrecht tegenover elkaar. Zoals ook weer blijkt uit onderzoek van De Volkskrant van 15 juni: de salarissen van topbestuurders zijn gestegen en de verschillen met de werkvloer worden steeds groter. Op zich is dat best logisch. Als de directie ervoor kan zorgen dat er minder aan loon wordt uitbetaald, stijgen de winsten en zijn aandeelhouders tevreden. Daar wordt de raad van bestuur voor ingehuurd, en dus verdient die een extra bonus. Vakbonden boos natuurlijk, ook wel weer begrijpelijk.

Opvallend aan het sociaal akkoord is dat er helemaal niets over lonen in staat. Dat is voor het eerst, want in het verleden stond ontwikkeling van de lonen (lees matiging) meestal centraal in zo’n akkoord. Dat zal wel niet voor niets zijn. Gewoon de lastige onderwerpen vermijden, dan kun je lang de schijn ophouden partners te zijn.